Hoofdstuk 7 - Het mystery van de boomstambank

13-10-2019

De volgende dag gaat Sem al vroeg op weg naar de plek bij het meer waar sinds gisteren de splinternieuwe door Buddy gemaakte boomstambank staat. Gisteravond was afgesproken om daar de volgende ochtend samen te ontbijten. Daarom heeft Sem een grote zak met allerlei lekkers bij zich. Als hij aankomt ziet hij tot zijn verbazing dat de bank niet meer op zijn plek staat. De door Buddy zo zorgvuldig uitgezochte bloemenboeketten zijn er nog wel, maar liggen omver en zien er slap en vertrapt uit. Verder liggen er overal kleine ronde steentjes. Sem laat de zak met lekkers vallen, tilt zijn bloemenhoed op en krabbelt verbaasd op zijn kale kop. Huh, hoe is dat nu mogelijk? Een boomstambank kan er toch niet zomaar uit zichzelf vandoor gaan? Hij zet zijn hoed weer op en loopt een eindje zoekend langs de rand van het meer. Dan komt hij Pom en Rana tegen, die ook onderweg zijn naar het ontbijt en vertelt hen opgewonden over het mysterie van de verdwenen bank. Rana rolt met zijn ogen van verbazing en Pom vraagt: "Weet je het zeker, Sem? Alleen Buddy is sterk genoeg om de bank van zijn plaats te krijgen. Was je echt wel op de goede plek?" Sem antwoordt: "Kom zeg, Pom, ik ben wel dom, maar niet slim. Ik weet heus wel waar die bank stond hoor. Hij is echt weg, foetsie, pleite, ribbedebie, spoorloos, verdwenen!" Pom is net zo verbaasd als zijn twee vrienden, maar zegt al gauw: "Kom jongens, we gaan zoeken. Hij kan toch niet ver weg zijn? We beginnen bij de plek waar hij heeft gestaan." Daar aangekomen vraagt hij aan Sem om hem alles te vertellen wat hij ziet. Sem vertelt over de omgevallen bloemen en de steentjes. Pom zegt: "Steentjes he? En wat zie je nog meer? Zijn er misschien sporen van een dier te ontdekken? " Rana loopt wat verder naar de rand van het meer, waar de grond natter is en ontdekt daar inderdaad een spoor. De poot van het dier dat daar nog niet zo lang geleden liep, heeft de afdruk van vier langwerpige tenen en de gaatjes van vier lange scherpe nagels achtergelaten. "De eerste aanwijzing" roept Pom opgewonden, "nu komen we ergens!". Sem en Rana kijken elkaar verward aan. Ze snappen er nog niks van. Maar dan vertelt Pom  dat hij vermoedt dat een dier de bank over al die kleine steentjes heen naar de waterkant heeft gerold en deze vervolgens het water in heeft geduwd. Wie dit gedaan heeft en waarom, dat weet Pom natuurlijk niet. Al snel blijkt echter dat hij wel gelijk heeft; een eindje verderop treffen de vrienden de bank drijvend in het water aan.

"Asjemenou!", roept Sem. Hij neemt een grote sprong en belandt op de bank, die hevig begint te wiebelen. Rana neemt Pom op zijn rug, zwemt met grote slagen naar de bank toe en klimt er ook op. Zo zitten de drie vrienden een tijdje met z'n drieën op de drijvende bank, niet wetende wat nu te doen. Dan horen ze ineens een schelle schreeuw. Ze schrikken ervan. Het schelle geluid komt van een grote vogel hoog in de lucht. De vleugels van deze vogel zijn enorm. Ze zijn zeker wel zo groot als jouw eigen zijwaarts uitgestrekte armen. De vogel beweegt zijn vleugels nauwelijks, maar zweeft in grote cirkels boven de hoofden van onze vrienden. "Sluw!", fluistert Pom angstig die het stemgeluid van de vogel meteen al herkende. 

Sluw is een havik. Hij woont al heel erg lang in een boom ergens midden op de heuvel. Daar helemaal in de top van die boom heeft hij zijn nest gebouwd. Sluw komt vrijwel nooit naar beneden. Hij bezoekt nooit de mooie plek bij het meer, ook niet bij bijzondere gelegenheden. Heel af en toe vliegt hij hoog in de lucht over de plek heen, waarbij hij zijn schelle schreeuw laat horen. Sluw heeft weinig vrienden en wil dat ook zo houden. Hij vindt het fijner om alleen te zijn. Sluw beschouwt zichzelf als heerser over de heuvel, het meer en het hele gebied er om heen. Hij wil de baas zijn en laat de andere dieren graag schrikken. De meesten zijn een beetje bang van hem. Plotseling neemt Sluw vanuit de lucht een duik en komt pijlsnel op Pom, Sem en Rana af. Rakelings vliegt hij met een schelle schreeuw over de boomstambank heen en de vrienden moeten duiken om niet door zijn scherpe klauwen geraakt te worden. Daarna keert hij om, vliegt terug en landt op het uiteinde van de boomstambank. Daar schudt hij zich uit, strijkt langzaam zijn veren glad en kijkt de vrienden vervolgens met een arrogante blik in zijn ogen indringend aan. "Ik wil jullie waarschuwen", zegt hij dan met een lage angstaanjagende stem. "Niemand haalt zonder mijn toestemming bomen uit het bos. Degene die dat gisteren gedaan heeft is een indringer. Ik wil hem hier op de Heuvel niet hebben. Als jullie hem zien, zeg hem dan maar dat ik hem in de gaten hou." Dan slaat hij zijn enorme vleugels uit en vliegt weg, onze vrienden trillend van ontzag achterlatend.